 
 |
- Hij springt en huppelt, en loopt op en van de trap af.
- Hij weet wat veilig en gevaarlijk is.
- Sociaal spelen wordt belangrijker. Als er andere kinderen in de buurt zijn, kan hij drukker worden.
- Hij heeft een goede oog-hand coordinatie en kan goed blokken stapelen of zijn teddybeer onderstoppen.
- Hij gaat niet met opzet iets tekenen. Wanneer je aan hem vraagt wat hij tekent, dan kijkt hij en vertelt dan pas wat hij denkt dat het is.
then tells you what he thinks it is.
- Hij vindt het leuk om met klei te spelen.
- Hij imiteert diegene die hij kent en die hij leuk vind.
- Hij begrijpt woorden zoals "binnen", "onder" en "boven."
- Hij ontdekt, bekijkt en onderzoekt.
- Hij zet woorden bij elkaar om simpele zinnen te maken en hij kan simpele aanwijzingen opvolgen; hij kan zich herinneren wat hij moet doen.
- Hij geeft redenen en lost problemen op, begrijpt en respecteert regels.
- Hij begint de woorden "ik", "mij" en "jou" te gebruiken.
- Hij wil misschien zijn speelgoed niet delen en kan bezitterig worden en wil geen medewerking verlenen.
- Hij zou in staat moeten zijn om zijn speelgoed op te bergen.
|
|
 |
 
 |
-
Rolschaatsen
-
Race-themed small vehicle play
-
Humorous small-vehicle play
-
Autootjes
-
Role-play toys
-
Sports toys
-
Speelsets met thema's
-
Battery-powered ride-ons
-
Toy boxes
-
Doen alsof spelen
-
Knuffelbeesten en poppen
-
Bouw speelgoed
-
Boeken
-
Kleurtjes, kleurboeken, klei, verf
-
Simpele puzzels
-
Speelgoed om in het water mee te spelen
-
Speelgoed voor te leren tellen
|
|