 |
 |

  |
 |
Hij trekt zichzelf op en staat met behulp van een meubelstuk
|
 |

  |
 |
Hij kan zelf zitten en kan een stuk speelgoed pakken zonder om te vallen
|
 |

  |
 |
Hij kan een bal opvangen die naar hem gerold wordt
|
 |

  |
 |
Zijn handen zijn veel vaardiger en hij masakt zijn bewegingen gecontroleerder
|
 |

  |
 |
Hij begint tekenen te geven - zijn armen uitstreken om opgetild te worden of met zijn lepel slaan voor eten.
|
 |