 |
 |

  |
 |
Hij is erg mobiel. Hij kan achter en vooruit lopen, en rennen.
|
 |

  |
 |
Hij kan speelgoed met zich mee trekken
|
 |

  |
 |
Hij kan zijn voeten gebruiken om op een fiets te zitten
|
 |

  |
 |
Hij combineert polsbewegingen met het loslaten
|
 |

  |
 |
Hij kan elke vorm herkennen en met een bal gooien
|
 |

  |
 |
Hij kan het ene blok op het andere neerzetten
|
 |

  |
 |
Hij heeft al een woordenschat van 50 tot 200 woorden. De ene week leert hij er een hoop bij, de andere week geeneen.
|
 |

  |
 |
Hij is continue dingen aan het proberen en aan het oefenen
|
 |

  |
 |
Hij kan simpele richtlijnen opvolgen
|
 |