 |
 |

  |
 |
Ze kan lopen wanneer je haar beide handen vasthoudt
|
 |

  |
 |
Ze kan diepte zien en wanneer ze kruipt zal ze niet met haar hoofd eerst naar beneden gaan van de trap
|
 |

  |
 |
Ze reageert op een of twee commando's
|
 |

  |
 |
Ze weet wanneer de verrassing komt in een liedje
|
 |

  |
 |
Ze kijkt om het hoekje en vindt het heerlijk om kiek-a-boe te spelen
|
 |

  |
 |
Ze begint naar dingen te zoeken die ze kan laten vallen
|
 |